Madrid, 11 maart 2004 – Spanje werd op de vroege ochtend van donderdag 11 maart 2004 opgeschrikt door een gecoördineerde reeks explosies die het hart van de hoofdstad trof. In wat zou uitgroeien tot de dodelijkste terroristische aanslag op Europese bodem tot dan toe, lieten 191 mensen het leven en raakten meer dan 2.000 anderen gewond.

De aanslagen, inmiddels bekend als “11-M”, lieten diepe littekens achter in de Spaanse samenleving en veranderden het politieke landschap van het land voorgoed.

Een gecoördineerde hel

Rond 07:37 uur, tijdens de ochtendspits, ontploften binnen een tijdsbestek van slechts enkele minuten tien explosieven in vier drukbezette forensentreinen op drie verschillende locaties: station Atocha, El Pozo en Santa Eugenia. De explosieven waren verborgen in rugzakken en geactiveerd via mobiele telefoons. De treinen, vol met forenzen, scholieren en werkenden op weg naar hun bestemming, veranderden in enkele seconden in oorlogszones.

De chaos was compleet. Overal lagen slachtoffers, gewonden, afgeworpen ledematen en brokstukken van verwoeste wagons. Hulpdiensten werkten onder extreme omstandigheden om levens te redden, terwijl de beelden van de verwoesting live de wereld overgingen.

Een misplaatste beschuldiging

In de directe nasleep van de aanslagen wees de toenmalige Spaanse regering onder premier José María Aznar in eerste instantie naar de Baskische afscheidingsbeweging ETA als vermoedelijke dader. Deze veronderstelling werd herhaaldelijk benadrukt in persconferenties, ondanks het ontbreken van concreet bewijs.

Al snel echter begonnen aanwijzingen te wijzen op een islamitisch extremistisch motief. Onderzoekers vonden een gestolen bestelbus met ontstekingsmateriaal en een cassettebandje met koranverzen. Kort daarna claimde een islamitische groepering met banden met Al Qaida de verantwoordelijkheid, als vergelding voor de Spaanse betrokkenheid bij de oorlog in Irak.

Politieke aardverschuiving

De aanslagen vonden plaats slechts drie dagen voor de Spaanse parlementsverkiezingen van 14 maart 2004. De wijze waarop de regering met de informatie omging leidde tot grote woede onder de bevolking. Tienduizenden Spanjaarden gingen de straat op om te protesteren tegen wat velen zagen als een bewuste misleiding. De verkiezingen eindigden in een onverwachte nederlaag voor Aznars Partido Popular, en de socialistische leider José Luis Rodríguez Zapatero kwam aan de macht.

Zapatero trok kort na zijn aantreden de Spaanse troepen terug uit Irak, zoals hij eerder had beloofd.

Onderzoek en vervolging

In de jaren na de aanslagen werd een grootschalig onderzoek uitgevoerd. In 2007 begon het proces tegen 29 verdachten. De rechtszaak, die maandenlang duurde, leidde tot 21 veroordelingen. Velen kregen straffen van tientallen jaren gevangenis. De vermoedelijke hoofdverdachten – waaronder Jamal Ahmidan, alias “El Chino” – kwamen eerder al om bij een zelfmoordaanslag in een appartement in Leganés, toen de politie hen probeerde aan te houden.

Een nationale trauma

11 maart 2004 markeerde een keerpunt in de Spaanse geschiedenis. Niet alleen vanwege het gruwelijke verlies van mensenlevens, maar ook door het besef dat Spanje, en bij uitbreiding Europa, kwetsbaar was voor internationaal terrorisme. De samenleving reageerde met massale stille tochten, waarin miljoenen Spanjaarden in eenheid hun afschuw en verdriet toonden.

Tot op de dag van vandaag wordt 11-M jaarlijks herdacht. Het blijft een blijvende herinnering aan het menselijke leed, maar ook aan de veerkracht van een natie die in haar donkerste uur de kracht vond om samen te komen.

Plaats een reactie

Quote of the week

"People ask me what I do in the winter when there's no baseball. I'll tell you what I do. I stare out the window and wait for spring."

~ Rogers Hornsby